Til je tweelingzorg naar een hoger niveau met vroege herkenning van TAPS
Verwacht je een monochoriale tweeling? Dan wil je TAPS kennen: een stille bloeduitwisseling via piepkleine placentavaten, vaak onzichtbaar op standaardecho’s maar goed op te sporen met MCA-Doppler en hemoglobineverschillen. Hier ontdek je het verschil met TTTS en sIUGR, wat intensieve monitoring inhoudt, welke behandelingen mogelijk zijn (zoals laser of IUT) en hoe je bevalplanning, nazorg en ontwikkeling na de geboorte het beste ondersteunt-vroeg herkennen maakt echt verschil.

Wat is TAPS (tweeling anemie-polycytemie)
TAPS is een complicatie die alleen kan ontstaan bij een eeneiige tweeling die samen één placenta deelt (monochoriale tweeling). In de placenta zitten piepkleine vaatverbindingen waardoor bloed heel langzaam van de ene baby naar de andere stroomt. Omdat die verbindingen zo klein zijn, veranderen de hoeveelheden vruchtwater meestal niet, in tegenstelling tot het twin-to-twin transfusiesyndroom (TTTS). Het gevolg is dat de ene baby geleidelijk te weinig rode bloedcellen krijgt (anemie) en de andere juist te veel (polycytemie), waardoor het bloed stroperiger wordt. Je merkt TAPS vaak niet aan duidelijke klachten, daarom wordt het vooral opgespoord met gerichte echo-controles. Met een MCA-Doppler, een echo-meting van de stroomsnelheid in een hersenslagader, kan je arts inschatten of er sprake is van bloedarmoede of juist dikker bloed bij een van de tweelingen.
TAPS kan spontaan ontstaan, maar ook na een laserbehandeling van TTTS, en het komt relatief zeldzaam voor. Onbehandeld kan TAPS leiden tot problemen zoals zuurstoftekort, groeivertraging of na de geboorte complicaties door bloedarmoede of stroperig bloed. Vroege herkenning en nauwkeurige monitoring zijn daarom belangrijk, zodat je tijdig kunt kiezen voor de juiste aanpak, zoals extra controles, een ingreep om de bloedstroom te corrigeren of het plannen van de bevalling op het meest veilige moment. Kort gezegd: TAPS is een stille, maar goed te volgen placentacommunicatie tussen je tweeling, waarbij vroeg en slim meten het verschil maakt.
In het kort: wat TAPS is en wat er gebeurt
TAPS is een zeldzame complicatie bij eeneiige tweelingen die één placenta delen. Door piepkleine vaatverbindingen stroomt bloed heel langzaam van de ene baby naar de andere. Daardoor krijgt de donor te weinig rode bloedcellen (anemie) en heeft de ontvanger er juist te veel (polycytemie), waardoor het bloed stroperig wordt. In tegenstelling tot TTTS blijft het vruchtwater meestal normaal, waardoor TAPS minder zichtbaar is op standaard echo’s.
Je team spoort het op met MCA-Doppler, een echo-meting van de stroomsnelheid in een hersenslagader die iets zegt over bloedarmoede of juist dikker bloed. TAPS kan spontaan ontstaan of na een laserbehandeling voor TTTS. Zonder behandeling kan het leiden tot zuurstoftekort, groeistilstand of problemen na de geboorte, dus vroeg herkennen en strak monitoren is cruciaal.
Het verschil met TTTS en selectieve groeirestrictie (SIUGR)
Deze vergelijking laat in één oogopslag zien hoe TAPS zich onderscheidt van TTTS en selectieve (intra-uteriene) groeirestrictie (sIUGR) qua oorzaak, diagnostiek en aanpak.
| Aandoening | Oorzaak / placentaire connecties | Diagnostische kerncriteria | Typische kenmerken en (voor)behandeling |
|---|---|---|---|
| TAPS (twin anemie-polycytemie) | Enkele zeer kleine AV-microanastomosen in een monochorionische placenta -> trage, chronische netto transfusie; meestal géén oligo/polyhydramnion. | Prenataal: MCA-PSV donor 1,5 MoM en recipient laag (0,8-1,0 MoM) of intertwin 0,5 MoM. Postnataal: Hb-verschil 8 g/dL met verhoogde reticulocytenratio. | Donor anemisch; recipient polycythemisch. Beleid: expectant toezicht, fetoscopische laser van verbindingen, intra-uteriene transfusie/partiële wisseltransfusie en tijdige bevalplanning. |
| TTTS (twin-to-twin transfusiesyndroom) | Meerdere diepe AV-verbindingen met duidelijke netto shunt tussen foetussen. | Oligo/polyhydramnion: donor MVP <2 cm, recipient MVP >8 cm; Quintero-stadiëring (blaasstatus donor, Dopplers, hydrops). | Donor “droog” met lege/kleine blaas; recipient volume-overload en cardiale stress. Beleid: fetoscopische lasercoagulatie; amnioreductie als palliatief. |
| sIUGR (selectieve groeirestrictie) | Ongelijke placentaverdeling en vaak marginale/velamenteuze insertie; geen primaire transfusieproblematiek. | Één twin EFW <10e percentiel en/of gewichtsdifferentie 25%; UA-Doppler types I-III; meestal normale vruchtwaterhoeveelheden. | Eén twin groeit beperkt, andere normaal. Beleid: intensieve surveillance (Dopplers), timing van bevalling; bij ernstige vormen of met bijkomend TTTS soms laser of (selectieve) navelstrengocclusie. |
Kern: TAPS wordt vooral herkend aan MCA-Dopplers en Hb-verschil zonder oligo/polyhydramnion, TTTS aan uitgesproken vruchtwaterdiscrepantie, en sIUGR aan een ongelijke placentadeling met groeiverschil-en de behandeling sluit daarop aan.
Bij TAPS draait het om een langzaam bloedverlies van de ene naar de andere tweeling via piepkleine vaatverbindingen, waardoor je vooral een groot verschil in hemoglobine ziet, terwijl het vruchtwater meestal normaal blijft. Bij TTTS is de uitwisseling veel groter en sneller, met duidelijke echo-tekens: veel vruchtwater bij de ontvanger, weinig bij de donor en vaak een leeg of niet-zichtbaar blaasje bij de donor. sIUGR gaat juist over ongelijke groei door een scheve verdeling van de placenta; één baby krijgt simpelweg minder “territorium”, waardoor de groei achterblijft, zonder typische bloedverschil-kenmerken.
De diagnosetools verschillen ook: TAPS check je met MCA-Doppler en Hb-waarden, TTTS met vruchtwatercriteria, sIUGR met groeicurves en navelstreng-Dopplers. Dit onderscheid stuurt je controles, behandeling en het moment van bevallen.
Hoe vaak komt het voor (prevalentie)
TAPS komt alleen voor bij eeneiige tweelingen die één placenta delen (monochoriaal) en is dus zeldzaam als je naar alle zwangerschappen kijkt. Bij spontane TAPS ligt de prevalentie rond de 3-6% van de monochoriale tweelingen. Na een laserbehandeling tegen TTTS kan TAPS ook ontstaan; in studies varieert dat van grofweg 2-15%, vooral wanneer er nog kleine vaatverbindingen overblijven. Hoe actief je wordt gescreend, maakt uit: met vaste MCA-Dopplercontroles tijdens de zwangerschap en Hb-vergelijking na de geboorte vind je meer gevallen, terwijl TAPS zonder zo’n protocol makkelijk onopgemerkt blijft tot na de bevalling.
Het risico speelt gedurende de hele zwangerschap, en soms wordt het pas postpartum duidelijk door grote hemoglobineverschillen tussen je tweeling. Kortom, TAPS is zeldzaam, maar niet te onderschatten.
[TIP] Tip: Vraag om regelmatige MCA Doppler controles om TAPS vroeg te herkennen.

Oorzaken, signalen en diagnose
TAPS ontstaat wanneer je eeneiige tweeling één placenta deelt en er slechts piepkleine vaatverbindingen (micro-anastomosen) aanwezig zijn. Via die minuscule lijntjes verplaatst bloed langzaam van de ene baby naar de andere, zonder de duidelijke vruchtwaterveranderingen die je bij TTTS ziet. Het kan spontaan gebeuren, maar ook na een laserbehandeling voor TTTS als er nog kleine verbindingen achterblijven. Je merkt TAPS zelden aan klachten; het is meestal een stille afwijking. Signalen op echo zijn subtiel: het vruchtwater blijft vaak normaal en de groei kan redelijk gelijk oplopen, waardoor je het niet op “het oog” ziet.
De sleutel ligt bij gerichte monitoring met MCA-Doppler: daarbij meet je de stroomsnelheid in een hersenslagader om te schatten of de donor bloedarmoede heeft en de ontvanger juist dikker bloed. Bij verdenking volgt extra controlefrequentie en bespreek je mogelijke interventies. Na de geboorte bevestig je de diagnose met hemoglobineverschillen en reticulocyten (tekens van bloedaanmaak) tussen beide baby’s, en kun je met placentakleuring de fijne vaatverbindingen zichtbaar maken. Vroege herkenning maakt gerichte zorg mogelijk.
Waardoor TAPS ontstaat: microvaatverbindingen in de placenta
TAPS begint bij piepkleine microvaatverbindingen (anastomosen) in de gedeelde placenta van je monochoriale tweeling. Het gaat vooral om arterioveneuze shunts: een slagader van de ene baby staat via een haarfijn kanaaltje in verbinding met een ader van de ander. Omdat deze verbindingen zo smal zijn en er vaak géén compenserende arterie-arterie shunt aanwezig is, stroomt er heel langzaam maar richtingvast bloed van donor naar ontvanger. Dat sluipende verlies zorgt niet voor grote drukverschillen of afwijkend vruchtwater, maar wél voor een groeiend verschil in rode bloedcellen: de donor raakt anemisch, de ontvanger wordt polycythemisch en het bloed wordt stroperiger.
Deze micro-doorsluizing is vaak kleiner dan 1 millimeter, blijft op standaard echo’s onzichtbaar en verklaart waarom TAPS weinig duidelijke signalen geeft maar toch grote Hb-verschillen veroorzaakt. Vroeg gericht meten maakt het zichtbaar.
Wie loopt risico en welke signalen je herkent
Je loopt risico op TAPS als je een eeneiige tweeling draagt die één placenta deelt (monochoriaal). Het risico is wat hoger als je eerder TTTS had of een laserbehandeling kreeg, vooral wanneer er nog kleine vaatverbindingen achterblijven. Meestal zie je geen opvallende vruchtwaterverschillen, daarom zit het in subtiele signalen. Op echo let je team op MCA-Doppler, een meting van de stroomsnelheid in een hersenslagader: bij de donor is die vaak te hoog (te weinig rode bloedcellen), bij de ontvanger juist te laag (dikker bloed).
Soms ontstaat er een groei- of kleurverschil pas na de geboorte: een bleke, wat slappe donor met bloedarmoede en een rooddoorlopen ontvanger met stroperig bloed. Vroege, regelmatige controles helpen je om dit op tijd te spotten.
Diagnose en monitoring: MCA-doppler en hemoglobineverschil
De kern van de TAPS-diagnose is gerichte monitoring met MCA-Doppler, een echo waarbij je de stroomsnelheid in de middelste hersenslagader van beide baby’s meet. Bij bloedarmoede stroomt het bloed sneller (hogere snelheid), bij polycytemie juist trager. Verdacht voor TAPS is een duidelijk verschil tussen je tweeling, vaak gedefinieerd als een donor met een sterk verhoogde snelheid en een ontvanger met een lage snelheid, of een uitgesproken snelheidskloof tussen beiden.
In de praktijk word je wekelijks of tweewekelijks gevolgd, gecombineerd met groeimetingen en aanvullende Dopplers. Na de geboorte bevestig je TAPS met een groot hemoglobineverschil tussen je baby’s; de donor heeft lage Hb-waarden en een verhoogd aantal reticulocyten (teken van extra aanmaak), terwijl de ontvanger juist een hoge Hb-waarde heeft. Zo stuur je tijdig behandeling en het beste bevallingsmoment.
[TIP] Tip: Controleer MCA-PSV verschil; denk aan placentale shunts; bevestig met Doppler.

Behandeling en zorgpad
Bij TAPS hangt de behandeling af van de ernst en de zwangerschapsduur. Samen met een gespecialiseerd team maak je een plan dat meegroeit met de situatie.
- Interventies tijdens de zwangerschap: intensieve monitoring met seriële MCA-Dopplers en groeiecho’s, met duidelijke actiedrempels. Bij progressie bespreek je behandeling in een expertcentrum: fetoscopische lasercoagulatie sluit de microvaatverbindingen (pakt de oorzaak aan), terwijl een intra-uteriene transfusie de bloedarmoede van de donor corrigeert maar de shunt niet wegneemt; soms zijn herhaalde ingrepen nodig.
- Bevalplanning en directe zorg: afhankelijk van termijn en stabiliteit kan een (vroeg) geplande bevalling veiliger zijn. Voor 34 weken krijg je vaak longrijpingsprikken; vóór 32 weken soms magnesiumsulfaat ter hersenbescherming. Bevallen gebeurt bij voorkeur in een centrum met NICU; na de geboorte kan de donor een bloedtransfusie nodig hebben en de recipiënt een (partiële) wisseltransfusie of extra vocht bij hyperviscositeit, met nauwe controle op ademhaling, bilirubine en glucose.
- Verwachte uitkomsten en prognose: bij tijdige herkenning en behandeling is de prognose vaak goed. Laser vermindert de kans op recidief doordat de oorzaak wordt behandeld; transfusies geven tijdelijke correctie. Houd rekening met risico op vroeggeboorte en de noodzaak van neonatale zorg; een persoonlijk vervolg- en controleplan wordt vooraf besproken.
Vraag bij TAPS om verwijzing naar een gespecialiseerd centrum en een duidelijk actieplan. Zo weet je wanneer er wordt ingegrepen en wat je rond de bevalling kunt verwachten.
Interventies tijdens de zwangerschap
Interventies bij TAPS zijn gericht op het afremmen van de bloedstroom tussen je tweeling of het corrigeren van de gevolgen. De meest oorzakelijke aanpak is fetoscopische lasercoagulatie: via een dunne kijkbuis worden de microvaatverbindingen in de placenta dichtgebrand, zodat de ongewenste shunt stopt. Is de donor duidelijk anemisch, dan kan een intra-uteriene transfusie via de navelstreng tijdelijk de rode bloedcellen aanvullen; dit pakt de oorzaak niet weg, maar stabiliseert de situatie.
Heel zelden kiest je team voor een partiële uitwisseling bij de ontvanger als het bloed extreem stroperig is. Je wordt intussen wekelijks of tweewekelijks gemonitord met MCA-Dopplers om het juiste moment te bepalen. Als vroeg ingrijpen of bevallen waarschijnlijk wordt, krijg je vaak longrijpingsprikken en zo nodig magnesiumsulfaat voor hersenbescherming.
Bevalplanning en directe zorg voor je tweeling
Je bevalplanning bij TAPS hangt af van ernst en zwangerschapsduur: bij milde, stabiele TAPS mik je vaak op late vroeggeboorte, bij verslechtering plan je eerder in een centrum met NICU. Voor 34 weken krijg je meestal longrijpingsprikken en vóór 32 weken magnesiumsulfaat voor hersenbescherming. De manier van bevallen hangt af van ligging en conditie; een vaginale bevalling kan als de eerste baby in hoofdligging ligt en de monitoring goed blijft, anders kies je voor een keizersnede.
Direct na de geboorte staat het neonatologieteam klaar voor snelle controles van Hb, hematocriet, reticulocyten, glucose en bilirubine. De donor kan een bloedtransfusie nodig hebben, de ontvanger soms een partiële wisseltransfusie bij stroperig bloed. Vaak laat je geen uitgestelde navelklem doen bij grote Hb-verschillen en wordt de placenta onderzocht.
Verwachte uitkomsten en prognose
De uitkomsten bij TAPS hangen vooral af van hoe vroeg je het ontdekt, de ernst van het Hb-verschil en de zwangerschapsduur bij de bevalling. Met strakke monitoring en gerichte behandeling is de overlevingskans van beide baby’s doorgaans goed, maar vroeggeboorte blijft een belangrijke voorspeller van complicaties. De donor loopt risico op bloedarmoede met zuurstoftekort en hartbelasting; de ontvanger op hyperviscositeit met kans op stolsels of doorbloedingsproblemen.
Na de geboorte kan je rekenen op NICU-zorg, snelle correctie van Hb en nauw volgen van glucose en bilirubine. Op de lange termijn ontwikkelt de meerderheid zich goed, maar er is een verhoogd risico op milde motorische of cognitieve problemen en soms gehoorverlies, vooral bij de donor. Daarom is gestructureerde follow-up essentieel.
[TIP] Tip: Benoem casemanager; plan opvolging volgens tapss-zorgpad met duidelijke beslismomenten.

Leven na TAPS: nazorg en ondersteuning
Na TAPS draait je nazorg om herstellen, groeien en gericht volgen. In de eerste weken checkt je team regelmatig het hemoglobine en de ijzerstatus, vooral bij de donor; soms krijg je op advies tijdelijk ijzersuppletie. De ontvanger wordt gecontroleerd op restklachten van stroperig bloed, maar na correctie stabiliseert dat meestal. Omdat vroeggeboorte vaak meedoet, volg je het prematurenpad met extra aandacht voor voeding, groei en ontwikkeling. Ontwikkelingsscreening op vaste momenten (bijvoorbeeld rond 6, 12 en 24 maanden) helpt om motoriek, spraak en cognitie tijdig te ondersteunen met fysio, ergotherapie of logopedie. Bij de donor is herhaalde gehoorscreening verstandig, omdat bloedarmoede in de zwangerschap soms invloed had; twijfel je over het gehoor of reageren op geluid, vraag dan om een extra test.
Thuis let je op signalen als bleekheid, sloomheid, slecht drinken, snelle ademhaling of opvallende geelzucht en neem je laagdrempelig contact op. Praktisch helpt een duidelijk zorgplan met contactnummers, een medicatie- en afspraakoverzicht en afstemming tussen kinderarts, verloskundige en huisarts. Emotionele steun is net zo belangrijk: praat met je partner, vraag hulp aan je omgeving en sluit je desnoods aan bij lotgenoten. Met structuur, korte lijnen en gerichte begeleiding blijkt de vooruitblik voor de meeste kinderen positief.
Opvolging en controles voor je kinderen
Na TAPS volgt je tweeling een duidelijk schema met checks die inspelen op wat er tijdens de zwangerschap is gebeurd. In de eerste dagen en weken controleer je samen met het team het hemoglobine, reticulocyten en ijzerstatus, plus bilirubine en glucose, zodat bloedarmoede bij de donor of stroperig bloed bij de ontvanger tijdig wordt bijgestuurd. Daarna volgen poliklinische afspraken bij de kinderarts met groei-, voeding- en ontwikkelingscontroles.
Ontwikkelingsscreening op vaste momenten helpt om motoriek, spraak en aandacht vroeg te ondersteunen met fysio, ergo of logopedie. Een herhaalde gehoorscreening is verstandig, zeker voor de donor, en bij prematuriteit hoort ook een oogcontrole. Jij bewaakt thuis signalen zoals bleekheid, sloomheid, slecht drinken of aanhoudende geelzucht en schakelt laagdrempelig met je zorgteam.
Ontwikkeling op lange termijn en wanneer je hulp zoekt
De meeste kinderen na TAPS ontwikkelen zich goed, maar je blijft alert op subtiele effecten van bloedarmoede of stroperig bloed in de zwangerschap. Let op motorische mijlpalen zoals omrollen, zitten en lopen, op taal (brabbelen, eerste woordjes) en op aandacht en prikkelverwerking. Reageert je kind weinig op geluid, op zijn naam of op muziek, vraag dan om een extra gehoortest, zeker als je een donor was met uitgesproken bloedarmoede.
Merk je dat groei, eten of slapen structureel moeizaam gaan, dat er asymmetrie in bewegen is of dat contact maken en spel achterblijven, trek dan aan de bel bij je consultatiebureau of kinderarts. Vroege verwijzing naar fysio, ergo, logopedie of audiologie maakt echt verschil en helpt je kind vaardiger en zelfverzekerder ontwikkelen.
Praktische tips en steun van lotgenoten
Een paar simpele gewoontes geven je rust in een TAPS-traject: houd een zorglogboek bij met MCA-uitslagen, vragen voor het volgende consult en afspraken, maak foto’s van echo-rapporten en zet noodnummers in je telefoon. Neem iemand mee naar controles om mee te luisteren en beslissingen te helpen onthouden. Thuis helpt een ritme van huid-op-huid, voedmomenten en slaapblokken; zet kraam- of thuiszorg slim in en zeg gerust nee tegen bezoek.
Vraag in het ziekenhuis naar contact met de maatschappelijk werker of psycholoog als alles even te veel is. Lotgenoten vind je via oudersgroepen en online communities; herkenning en praktische hacks (zoals wat mee te nemen naar de NICU of hoe je voedingen koppelt) maken het echt lichter.
Veelgestelde vragen over tapss
Wat is het belangrijkste om te weten over tapss?
Tapss (TAPS) is een complicatie bij monochoriale tweelingen waarbij microvaatverbindingen in de placenta langzaam bloed uitwisselen. Dat veroorzaakt anemie bij de donor en polycytemie bij de ontvanger, zonder klassieke TTTS-vruchtwaterverschillen. Diagnose: MCA-dopplers en hemoglobineverschillen.
Hoe begin je het beste met tapss?
Begin met snelle verwijzing naar een gespecialiseerd tweelingcentrum. Plan frequente MCA-dopplercontroles, bespreek behandelopties (expectatief, laser van vaatverbindingen, intra-uteriene transfusie/partiële wissel), maak een bevallings- en neonataal zorgplan, en zorg voor psychosociale steun en betrouwbare informatiebronnen.
Wat zijn veelgemaakte fouten bij tapss?
Veelgemaakte fouten: TAPS verwarren met TTTS of SIUGR, te weinig (of te late) MCA-dopplers, focussen op vruchtwater i.p.v. MoM-waarden, uitstel van escalatie, geen Hb-controle bij beide neonaten, en onvoldoende lange-termijn follow-up en ondersteuning.